Vaak vind ik het lastig om aan de scherpe blik van mijn innerlijke recensent te ontkomen. Hij (ja, het is een hij) stort zich veel te vroeg op mijn prille ideeën, die dan een jammere dood sterven. Gelukkig kan ik hem soms afleiden of tot de orde roepen, maar het blijft een punt van aandacht. ‘Later,’ zeg ik tegen hem. ‘Later ben je welkom. Ga nu maar even iets voor jezelf doen. Iets met meditatie en een bos.’ Maar daar houdt hij niet van, want daar kan hij niet bemoeien en afkeuren en dat is toch wel zijn levensmissie.

Nu heb ik een nieuwe tactiek: ik heet hem welkom, zet hem op de bank met een kop groene relaxthee en zeg dat ik nog niet echt begonnen ben. Dat dit vingeroefeningen zijn om op te warmen. Buiten het zicht van de zure zijksnor, verzin ik dan beginnetjes van verhalen. Dat helpt mij om in de speelse alles-is-goed-stemming te komen, waarin schrijven een feest is. Het idee is: gewoon doorschrijven zonder tussentijdse censuur en zonder dat het iets hoeft te worden.

Dit is de oogst van vanmorgen: Shit! Veel te vroeg hoort hij het roggelende geluid van ouwe Keet, het hoogbejaarde volkswagenbusje van zijn moeder. Snel schuift hij het gat dicht en begint te rennen over de keurig aangeharkte grindpaadjes van de begraafplaats. Hij klimt over het hek, springt van iets te hoog naar beneden en hinkt een paar kreupele stappen naar de hoge heg. Veel tijd om op adem te komen heeft hij niet, ouwe Keet hoest net de laatste bocht om, hun straat in. Okee, de sluiproute achterom dus. Via de schutting van Trijn Chagrijn (die verdwaalde ballen lek prikt), steekt hij schuin door de tuin van Dikke Willem en Boef, de liefste waakhonden ter wereld (sorry, geen tijd om te spelen) en wurmt hij zich door het meegroeiende gat in de heg naar hun eigen tuin. Hij hoort zijn moeder het pad opdraaien en hoopt maar dat ze, zoals altijd, eerst naar de WC moet. Het deksel van de regenton kraakt gevaarlijk als hij zich afzet om op het platte dak van de bijkeuken te klimmen. Absoluut en streng verboden, maar dit is een noodgeval en het dak is toch al lek. Hij hoort de voordeur open gaan als hij door zijn slaapkamerraam klimt. Meteen klinken er voetstappen op de trap en haar stem: ‘Guus?’ In één beweging trekt hij het gordijn dicht, laat zijn spijkerbroek zakken en gooit hem, met gympen en al in de hoek van zijn kamer. Dan springt hij in zijn bed en trekt het dekbed op tot zijn neus. Op dat moment gaat de deur open. Mama loopt naar hem toe. ‘Ha liefie, hoe is het nu?’ zegt ze, terwijl ze aan zijn voorhoofd voelt. Hij probeert haar zo lodderig mogelijk aan te kijken. ‘Ach jochie, je bent helemaal bezweet. Misschien is dit te warm voor je, ik zal even een laken pakken.’ Met een besliste zwaai trekt ze het dekbed van hem af, maar in het omdraaien stopt haar beweging. Er klopt iets niet. Haar ogen kijken nu heel anders naar hem. Dan ziet hij het zelf ook: zijn handen zijn zwart van de aarde en op zijn gele T-shirt zit een grote, rode vlek…

Als ik opkijk, zie ik dat de recensent in slaap gedommeld is. In ontspannen toestand ziet hij er ronduit aandoenlijk uit. Het zware hoofd is opzij gezakt en de frons tussen zijn wenkbrauwen lijkt nu slechts een lief rimpeltje. Zijn grote mond hangt een beetje open en in zijn mondhoek glimt een druppeltje spuug. Voorzichtig pak ik mijn kop koffie en ga aan het werk. Straks maak ik hem wakker, als ik deze tekst in de computer ga zetten. Nu schrijf ik nog even lekker door.